Esperanto
zσ geleerd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze kennismaking met Esperanto bestaat uit:

§  een beknopte grammatica

§  een oefening per onderdeel

§  een woordenlijst

§  de oplossingen

Zo krijg je een algemene indruk van de taal.

Na het maken van de oefeningen ben je al in staat een eenvoudige tekst te begrijpen en zelf zinnen te maken. Eenmaal de smaak te pakken, zijn er veel mogelijkheden om je kennis uit te breiden.

 

 

 

 

 

Grammatica

 

1HET ALFABET EN DE UITSPRAAK

 

Alle letters worden uitgesproken, en hebben een vaste uitspraak, wat de spelling sterk vereenvoudigt. De letters Q, W, X en Y bestaan niet in het Esperanto. Wel zijn er zes extra letters: Ĉ, Ĝ, Ĥ, Ĵ, Ŝ en Ŭ met een eigen uitspraak.

A, B, C (ts), Ĉ (tsj), D, E (e in mes), F, G (g in garηon), Ĝ (dzj, als in gentleman), H, Ĥ (ch in lachen), I (i in zien), J, Ĵ (zj), K, L, M, N, O (o in bos), P, R, S, Ŝ (sj), T, U (oe in boek), Ŭ (w in leeuw), V, Z.

De klemtoon valt altijd op de voorlaatste lettergreep.


DE UITGANGEN o, a, e:
toegevoegd aan het stamwoord bepalen de woordsoort.

                zelfst. naamwoorden eindigen op o:             

                     fin+o = eind, slot

bijv. naamwoorden op a:

                     fin+a = uiteindelijk, finaal

                afgeleide bijwoorden op e:

                     fin+e = ten slotte

                infinitieven op i:

                     fin+i = beλindigen

                meervouden op j:

                     flor+o+j = bloemen

 

Er is maar ιιn bepaald lidwoord: la; voor mannelijk, vrouwelijk, enkelvoud en meervoud:

la horo = het uur, la horoj = de uren. Er is geen onbepaald lidwoord: horo = een uur, horoj = uren.

 

2DE PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN

mi (ik), vi (jij, u, jullie), li (hij), ŝi (zij), ĝi (het, voor dieren of dingen), oni (men), ni (wij), ili (zij, meervoud), si (zich, wederkerend).

Met de letter a erachter vorm je bezittelijke voornaamwoorden: mia, via, lia… = mijn, jouw (jullie, uw), zijn… la mia… = de mijne…

 

 

VERVOEGINGEN

Eιn uitgang voor elke tijd, voor alle personen (geen onregelmatige werkwoorden):

+as    = tegenwoordige tijd

+is     = verleden tijd

+os    = toekomende tijd

+us    = voorwaardelijke wijs

+u      = gebiedende, wensende wijs

 

paroli,                          = spreken

mi parolas                    = ik spreek

ni parolis, ili parolis       = wij spraken, zij spraken

oni parolos                   = men zal spreken

li parolus, ŝi parolus      = hij/zij zou spreken,

(vi) parolu!                   = spreek!

 

3SAMENGESTELDE TIJDEN.

Het hulpwerkwoord 'esti' (zijn) duidt de tijd aan (heden,verleden, toekomst)

Het tweede werkwoord (deelwoord) geeft telkens aan of de handeling:

·          aan de gang is                       actief:   anta               passief:   ata

·          voorbij is                                             inta                            ita

·          nog moet gebeuren                            onta                           ota

 

   actief deelwoord ( het onderwerp doet de handeling): anta / inta / onta:

   mi estas kantanta       = ik ben aan het zingen

   mi estas kantinta        = ik heb net gezongen

   mi estas kantonta       = nu sta ik op het punt te zingen

   vi estis skribanta       = jij was aan het schrijven

   vi estis skribinta        = jij had geschreven          

   vi estis skribonta       = jij stond op het punt te schrijven

   ŝi estos foriranta        = zij zal aan het vertrekken zijn

   ŝi estos foririnta         = zij zal vertrokken zijn

   ŝi estos forironta        = zij zal op het punt staan te vertrekken

 

 passief deelwoord (het onderwerp ondergaat de handeling): ata / ita / ota

   la akvo estas trinkata = het water wordt gedronken

   la akvo estas trinkita  = het water is gedronken

   la akvo estas trinkota = het water zal gedronken worden

 

   la pano estis manĝata = het brood werd gegeten

   la pano estis manĝita  = het brood was gegeten

   la pano estis manĝota = het brood ging gegeten worden

   la foto estos vidata     = de foto zal gezien worden

   la foto estos vidita      = de foto zal gezien zijn

   la foto estos vidota     = de foto zal in de toekomst gezien worden

 

4 


ZINSDELEN.

Omdat de woordvolgorde veel vrijer is, wordt aan het lijdend voorwerp een –n toegevoegd.

Dus zet men de letter n achter het zelfstandig naamwoord en het bijbehorend bijvoeglijk naamwoord of het persoonlijk voornaamwoord.

   

    Mi trinkas akvon / Akvon trinkas mi                            = Ik drink water

   Ŝi kantas belan kanton / Belan kanton kantas ŝi          = Ze zingt een mooi lied

   Li amas min / Min li amas                                           = Hij houdt van mij

Bepalingen van tijd, afmeting of richting kunnen worden ingeleid met een voorzetsel. Vaak kan het voorzetsel worden weggelaten en in dat geval krijgen ook deze bepalingen een –n.

   Mi iras al Parizo / Mi iras Parizon        = Ik ga naar Parijs

    Mi venos je lundo / Mi venas lundon     = Ik kom maandag

Wanneer een voorzetsel zowel plaats als richting kan aangeven, wordt de –n enkel gebruikt in richtingsbepalingen.

    Mi iras en la ĉambro (plaats)      = Ik stap in de kamer (rond)

    Mi iras en la ĉambron (richting)  = Ik stap de kamer in

 

VRAGEN

Om een vraag te stellen zet men het woordje ĉu aan het begin van de zin:

 

   ĉu li manĝas?                = eet hij ?

         - jes, li manĝas      = ja, hij eet

         - ne, li trinkas        = neen, hij drinkt

 

ONTKENNING

Om een zin ontkennend te maken, plaats je het woord ne direct vσσr het te ontkennen zinsdeel.

 

   Mi ne kantas       = Ik zing niet     

    Ne mi kantas       = Ik ben niet degene die zingt

5DE TABEL VAN CORRELATIEVEN

 

De tabelwoorden bestaan uit twee elementen. Het eerste deel eindigt altijd op een i: ki-, ti-, i-, ĉi- en neni-. Hieraan kunnen de volgende negen elementen worden gekoppeld: -o, -u, -a, -es, -e, -am, -el, -al en –om. Elk van deze begin- en eindelementen heeft een min of meer vaste betekenis.

De tabelwoorden die eindigen op –o, -u en –a kunnen een –n krijgen indien ze lijdend voorwerp zijn. Deze die op –e eindigen kunnen de richtings –n krijgen

 

 

 

ki-
vragend  / betrekkelijk

ti-

aanwijzend

i-
onbepaald

 

ĉi-

alles omvat-

tend

neni-

ontkennend

Voornaamwoorden

+o

zaak

(zelfstandig)

kio
wat, dat

tio
dat

io
iets

ĉio
alles

nenio
niets

+u   persoon

(zelfstandig)

zaak/persoon/dier

(bijvoeglijk)

kiu
wie, die, welke

tiu
die, dat

iu
iemand

ĉiu
iedereen elk(e)

neniu
niemand, geen enkel(e)

+a

eigenschap

kia
welke soort

tia
zo'n, dusdanig

ia
een of

ander(e)

ĉia
allerlei

nenia
geen enkel(e)

+es

bezitter

kies
wiens

ties
diens

ies
iemands

ĉies
ieders

nenies
niemands

Bijwoorden

+e

plaats

kie
waar

tie
daar

ie
ergens

ĉie
overal

nenie
nergens

+am

tijd

kiam
wanneer

tiam
toen, dan

iam
ooit, eens

ĉiam
altijd

neniam
nooit

+el

graad / manier

kiel
hoe, als

tiel
zo

iel
op een of andere manier

ĉiel
op alle manieren

neniel
op geen enkele manier

+al

reden

kial
waarom

tial
daarom

ial
om een of andere reden

ĉial
overal om

nenial
nergens om

+om

hoeveelheid

kiom
hoeveel

tiom
zoveel

iom
iets, een beetje

ĉiom
alles

neniom
niets

Enkele voorbeelden met voornaamwoorden:

+o zaak ( zelfstandig)

Kio estas tio?        Tio estas io.           Ĉu ĉio estas bona?                              Nenio estas bona.

Wat is dat?             Dat is iets.              Is alles goed?                         Niets is goed.

 

Kion vi havas?      Tion mi havas.      Ĉu vi havas ĉion?                 Mi havas nenion.

Wat heb je?            Dat heb ik.              Heb je alles?                          Ik heb niets.

 

+u persoon (zelfstandig)

Kiu venos?            Tiu venos.             Ĉu iu venos?         Ĉiu venos              Neniu venos.

Wie zal komen?      Die zal komen.       Zal iemand komen?Iedereen zal …      Niemand  zal…

 

Kiun vi vidas?        Tiun mi vidas.        Ĉu vi vidas iun?     Mi vidas ĉiun.        Mi vidas neniun.

Wie zie jij?               Die zie ik.                Zie jij iemand?         Ik zie iedereen.       Ik zie niemand.

 

+u (bijvoeglijk) persoon, dier, zaak.

Kiu libro ĝi estas?  Tiu kato estas dika. Iu viro kantas.Ĉiuj viroj ridas.         Neniu kato bojas.

Welk boek is het?   Die hond is dik.       Iemand zingt.    Alle mannen lachen.  Geen enkele kat  blaft.

 

Enkele voorbeelden met bijwoorden:

+e plaats

Kie estas la libro?  Tie ĝi estas. Ie mi trovos ĝin.               Ĉie estas libroj.         Nenie ili estas.

Waar is het boek? Daar is het.   Ergens zal ik het  vinden.Overal zijn boeken.   Ze zijn nergens.

 

Kien vi iras?           Tien mi iras.       Ĉu vi iras ien?           Mi iras ĉien.          Mi iras nenien.

Waar ga je heen?   Daar ga ik heen.  Ga je ergens heen?   Ik ga overal heen. Ik ga nergens heen.

+am tijd

Kiam vi venis?       Tiam mi venis.    Iam mi venos.           Mi ĉiam venas.     Mi venos neniam.

Wanneer kwam je? Dan kwam ik.      Eens zal ik komen.    Ik kom altijd.           Ik zal nooit komen.

6DE GETALLEN

hoofdtelwoorden:

unu (1), du (2), tri (3), kvar (4), kvin (5), ses (6), sep (7), ok (8), naŭ (9), dek (10), cent (100), mil (1000), [ miliono (miljoen) en miliardo (miljard) zijn zelfstandige naamwoorden en krijgen in het meervoud –j ].

Tientallen en honderdtallen worden aan elkaar geschreven. Duizendtallen staan los en worden ook zo uitgesproken (klemtoon).

dek du (tien twee) = 12, dudek unu (twintig een)= 21

mil naŭcent naŭdek sep  = 1997, okdek du mil kvincent tridek kvar = 82.534

rangtelwoorden             = getal+a

   (la) unua, dua…         = (de) eerste, tweede…

bijwoorden                    = getal+e

   unue, due…               = ten eerste, ten tweede…

zelfst. nw.                    = getal+o

   deko, dekduo, cento   = een tiental, een dozijn, een honderdtal

veelvoud                      = getal+obl+a

   duobla, triobla…         = dubbel, drievoudig…

breuken                        = getal+on+o

   duono, triono, kvarono… = een half, een derde, een kwart…

collectief                      = getal+op+e

   duope, triope,…         = met z'n tweeλn, met z'n drieλn…

7 


ACHTERVOEGSELS

Letters tussen de woordstam en de uitgang van een woord:

namen van levende wezens:

  + ul (individu):               juna = jong          junulo = jongeling

  + an (lid):                     urbo = stad         urbano = stedeling

  + ist (beroep):               baki = bakken      bakisto =bakker

  + in (vrouwelijk):            patro = vader      patrino = moeder

  + id (nakomeling):          bovo = rund        bovido = kalf

  + estr (chef):               urbo = stad         urbestro = burgemeester

namen van dingen:

  + aĵ (ding):                   trinki = drinken    trinkaĵo = drank

  + il (gereedschap):         tranĉi = snijden    tranĉilo = mes

  + ar (verzameling):         arbo = boom       arbaro = bos

  + er (deeltje):                neĝo = sneeuw    neĝero = sneeuwvlok

  + ej (plaats):                            lerni = leren           lernejo = school

+ uj: (kan iets geheel omvatten)     supo = soep          supujo= soepterrine            

  + ing:(gedeeltelijk omvatten)                     kandelo = kaars   kandelingo = kandelaar                

abstracte namen:            

  + ec (eigenschap):              bela = mooi     beleco= schoonheid

  + ism (leer, theorie):            nacio = natie   naciismo = nationalisme

kwalificaties:

  + ebl (mogelijkheid):            manĝi = eten  manĝebla = eetbaar

  + em (neiging):                  kredi = geloof kredema = gelovig

  + ind (waard):                    ridi = lachen    ridinda= belachelijk

  + end (plicht):                    pagi = betalen pagenda = moet betaald worden

 

werkwoorden:

  + ig (igi): doen/laten             sidi = zitten     sidigi = doen/laten zitten

  + iĝ (iĝi): worden/ondergaan   pala = bleek    paliĝi = verbleken

 

algemene achtervoegsels:

  + et (verkleining):                domo = huis   dometo = huisje

  + eg (versterkend):                                domego = groot huis, herenhuis

  + aĉ (lelijk):                                         domaĉo = krot

  + ad (duur/herhaling):              paroli = sprekenparolado = redevoering

  + um (geen vaste betekenis): akvo = water  akvumi = water geven

                                        kolo = nek      kolumo = kraag

VOORVOEGSELS

Letters vσσr de woordstam:

  bo+ (schoon-):                   bopatro = schoonvader

  ge+ (beide geslachten):         gepatroj = ouders, vader+moeder

  eks+ (ex-):                       eksministro = exminister

  pra+ (oer-, voor-, over-):       avo = grootvader        praavo = overgrootvader

                                                      arbaro = bos                  praarbaro = oerbos

  fi+ (slecht):                       knabo = jongen              fiknabo = kwajongen                                        

  dis+ (uiteen):                    doni = geven                  disdoni =  uitdelen

  mal+ (tegendeel):                bela = mooi                     malbela = lelijk

  mis+ (mis-):                             kompreni = begrijpen           miskompreni = misvatten

  ek+ (start):                       ridi = lachen               ekridi = gaan lachen

  re+ (herhaling):                  fari = doen                      refari = opnieuw doen

 

WOORDCONSTRUCTIE

Esperanto is als Lego: je kunt uitgangen plakken aan woordstammen. Daarna kun je woorden maken met voor- en achtervoegsels of door samenvoegen van woordstammen:

vapor+ŝip+o (stoom+schip)              = stoomschip

okul+vitr+o+j (oog+glazen)               = bril

sam+temp+e (zelfde+tijd)                  = tegelijkertijd

 

8TRAPPEN VAN VERGELIJKING

stellend:           la juna frato                  La frato estas juna.

                        de jonge broer                  De broer is jong.

                                   tiel… kiel = even… als

                        Li estas tiel juna kiel vi = Hij is net zo jong als jij.

 

vergrotend: bij vergelijking van twee personen of zaken.

                        la pli juna frato              Li estas pli juna ol ŝi.

                               de jongere broer                    Hij is jonger dan zij.

                                   pli… ol = meer… dan

                                   malpli... ol = minder… dan

                               Li estas pli riĉa ol vi      .Li estas malpli riĉa ol ŝi.

                        Hij is rijker dan jij.                   Hij is minder rijk dan zij.

                                                               Nota:       Li estas pli malriĉa ol ŝi.

                                                                              Hij is armer dan zij.

overtreffend: bij vergelijking van drie of meer personen of zaken.

                       la plej juna frato             Li estas la plej juna el la grupo.

                       De jongste broer                     Hij is de jongste van de groep.

                                   la plej = het meest, la malplej = het minst

 

VOEGWOORDEN

onderschikkend:   ĉar = omdat/want, kvankam = ofschoon, ke = dat, kvazaŭ = alsof, se = indien (fictief)

nevenschikkend:   sed = maar, aŭ = of, kaj = en, do = dus, nu = wel, nek = noch

 

NIET AFGELEIDE BIJWOORDEN

 

hieraŭ    = gisteren            preskaŭ = bijna    

hodiaŭ   = vandaag           apenaŭ = nauwelijks

morgaŭ                              = morgen nur         = slechts

nun         = nu                     almenaŭ = tenminste

ĵus          = zojuist               ankaŭ    = ook

tuj           = dadelijk                      = zelfs

baldaŭ   = spoedig             tre           = zeer

jam         = al                       tro           = teveel

ankoraŭ = nog                  for           = weg, heen

 

VOORZETSELS

al      = naar                antaŭ    = voor (tijd/plaats)            apud         = naast

ĉe     = bij                    ĉirkaŭ = om(heen)                      ekster      = buiten

de     = van, door        dum      = terwijl                             tra             = door

el      = uit                    en          = in                                   ĝis             = tot

 

inter        = tussen              kontraŭ = tegen                krom   = behalve

kun         = met                   sen       = zonder              laŭ       = volgens

malgraŭ    = ondanks           por         = voor (om te)     post    = na (tijd)

pri              = over                  pro         = wegens             sub      = onder

per             = door, per        sur         = op                    

anstataŭ = in plaats van    malantaŭ = achter (plaats)           

super        = boven            trans      = over

 

ENKELE UITDRUKKINGEN:

 

saluton! = hallo !      

ĝis revido! = tot ziens !

bonan tagon! = goedendag !             

bonan nokton! = welterusten !                         

mi nomiĝas... = ik heet…                  

kiel vi fartas? = hoe gaat het met u ?

bone, dankon = goed, dank u

ju pli… des pli… = hoe meer… des te…

nek.. nek.. = noch… noch…ĉu…ĉu… =hetzij…, hetzij…

 

 

 

Oefeningen om het geleerde in praktijk te brengen...

 

1Vul de uitgangen in:

 

Bijv.: de mooie jongens = la bel-AJ knab-OJ 

 

a) het witte paard                   = la blank-… ĉeval-…

b) blauwe ballonnen               = blu-… balon-…

c) snel spreken                      = rapid-… parol-…

d) honden en katten               = hund-… kaj kat-…

e) lang (bw)                            = long-…

f) de grote vogels                   = la grand-… bird-…

g) een goede koek                 = bon-… kuk-…

h) goed eten                           = bon-… manĝ-…

i) een rode of groene muur    = ruĝ-… aŭ verd-… mur-…

j) het goede                            = la bon-…

k) lachen en huilen                 = rid-… kaj plor-…

l) echt gelukkig                       = ver-… feliĉ-…

 

2Vertaal in het Nederlands:

 

Bijv.: Ili lernas. > Zij leren.

 

a) La domo estas granda.

b) Ni rapide skribas.

c) La birdo estas blanka, ĝi flugas.

d) Mi estas juna viro.

e) Li atendu kaj aŭskultu!

f) Ŝi iros, manĝos kaj dormos.

g) Rigardu : pluvas forte!

h) Ili estis vivaj.

i) Nia granda ĉevalo multe manĝas.

j) Mi volus kanti.

k) La blua akvo estas pura.

l) Li estos bona patro.

 

3Maak de werkwoorden af:

 

Bijv.: ik zal geleerd hebben = mi est-OS lern-INTA

 

a) Hij had de vis gevangen                                   = Li est-… kapt-… la fiŝon

b)Hij gaat kopen                                                    = Li est-… aĉet-…

c) Het wordt gebouwd                                           = Ĝi est-… konstru-…

d) De muis zal gegeten hebben                            = La muso est-…manĝ-…

e) We stonden op het punt te gaan drinken          = Ni est-… trink-…

f) Mijn arm is gebroken                                         = Mia brako est-… romp-…

g) De foto was verborgen                                     = La foto est-… kaŝ-…

h) De tandarts heeft gewerkt                                = La dentisto est-… labor-…

i) Je was aan het hollen                                        = Vi est-… kur-…

k) De koek gaat gegeten worden                         = La kuko est-… manĝ-…

l) Uw kinderen zullen gespeeld hebben                = Viaj infanoj est-… lud-…

 

 

 

4Vertaal in het Esperanto:

 

Bijv.: Hij verbergt de foto. > Li kaŝas la foton.

 

a) Het vuur is warm.

b) Zij schrijft een woord.

c) Zij aten de groenten. (hebben gegeten)

d) Hij zal mij helpen.

e) Hebt u mijn broer gezien?

f) (De) Vogels vliegen snel.

g) Wilt u drinken?

h) Ik slaap niet, ik ben moe.

i) Was de film niet goed?

j) Ik ben de krant niet aan het lezen.

k) Kun jij werken? Neen, ik kan niet.

l) Wij gebruiken vaak de telefoon.

 

 

5Vertaal in het Esperanto:

 

Bijv.: Wie bent u? > Kiu vi estas?

 

a) Waarom verkies jij (de) vis?

b) Iemand vond een papier (heeft gevonden).

c) Het boek is daar verborgen.

d) Wij zijn altijd schoon (netjes).

e) Hij luistert naar muziek, zoals ik.

f) Mijn vader eet niets.

g) Zij herhalen ieder woord.

h) Dusdanig is onze hoop!

i) Hoeveel bloemen zien jullie ?

j) Wanneer ik de taal zal begrijpen, zal ik spreken.

k) Wat is een huis?

l) Wiens auto is dat?

 

 

6Schrijf de getallen en datums in letters:

 

N.B. : in het Esperanto schrijf je datums als volgt:

« La [dagnummer]-an de [maand]-o [jaar] »

[dagen: lundo, mardo, merkredo, ĵaŭdo, vendredo, sabato, dimanĉo;

maanden: januaro, februaro, marto, aprilo, majo, junio, julio, aŭgusto, septembro, oktobro, novembro, decembro]

Bijv.: 15/12/1859 = la dek-kvinan de decembro mil okcent kvindek naŭ

 

a) 73

b) 101

c) 20e

d) 655

e) 14/07/1789

f) 9 999

g) Ό

h) woensdag 27 februari

i) 2 046

j) 18 442

k) 75 793

l) 2 088 405

 

7Vertaal in het Nederlands:

La 5-an de majo, mia fratino iris al la malsanulejo. Ŝi ne estis malsana : ŝi nur iĝis patrino.

Ŝia ido estas knabeto. Li eble iam iĝos fiŝkaptisto aŭ ŝipestro, kial ne?

Mia nevo multe ŝatas manĝi kaj li ofte dormas. Kiam li aŭskultas rakontojn, li baldaŭ ekdormos. En mia rakontolibro estas kelkaj poemoj, kiujn mi ŝatas legi al li.

Dum la matenmanĝo li kelkfoje ludas anstataŭ manĝi. Li tiam uzas la manĝilojn kiel ludilojn. Tio ofte ridigas nin: li estas tiom ludema!

 

8Vertaal in het Esperanto:

Hallo !

Ik heet Maria. Ik leef in Parijs; het is een heel grote stad. Ik heb geen auto, maar ik ga niet naar het werk met de bus. Ik ga liever te voet, want mijn huis is dichtbij mijn werk. Ik ben vertaalster, dus ik spreek meerdere talen. Ik hou veel van reizen en tijdens mijn reizen spreek ik vaak Esperanto met mijn vrienden. Om te reizen ga ik met de trein. Ik hou ook van muziek beluisteren of naar het theater gaan. Theater is de interessantste kunst… volgens mij. Tot ziens!


 

 

Oplossingen

 

N.B. : De woorden (tussen haakjes) kunnen wel of niet vertaald worden, en de woorden tussen [rechte haken] geven alternatieve vertaalmogelijkheden van dezelfde uitdrukking. De voorgestelde uitwerkingen zijn slechts een indicatie, want er bestaan vaak verschillende manieren om hetzelfde te zeggen.

 

1. 

a) het witte paard                   = la blank-a ĉeval-o

b) blauwe ballonnen               = blu-aj balon-oj

c) snel spreken                      = rapid-e parol-i

d) honden en katten               = hund-oj kaj kat-oj

e) lang (bw)                            = long-e

f) de grote vogels                   = la grand-aj bird-oj

g) een goede koek                 = bon-a kuk-o

h) goed eten                           = bon-e manĝ-i

i) een rode of groene muur    = ruĝ-a aŭ verd-a mur-o

j) het goede                            = la bon-o

k) lachen en huilen                 = rid-i kaj plor-i

l) echt gelukkig                       = ver-e feliĉ-a

 

2.

a) Het huis is groot.

b) Wij schrijven snel.

c) De vogel is wit, hij vliegt.

d) Ik ben een jonge man.

e) Laat hem wachten en luisteren!

f) Zij zal gaan, (zal) eten en (zal) slapen.

g) Kijk, het regent hard!

h) Zij waren levend.

i) Ons grote paard eet veel.

j) Ik zou willen zingen.

k) Het blauwe water is schoon (zuiver).

l) Hij zal een goede vader zijn.

 

 

3.

a) Hij had de vis gevangen                                   = Li est-is kapt-inta la fiŝon

b) Hij gaat kopen                                                   = Li est-as aĉet-onta

c) Het wordt gebouwd                                           = Ĝi est-as konstru-ata

d) De muis zal gegeten hebben                            = La muso est-os manĝ-inta

e) Wij stonden op het punt te gaan drinken          = Ni est-is trink-ontaj

f) Mijn arm is gebroken                                         = Mia brako est-as romp-ita

g) De foto was verborgen                                     = La foto est-is kaŝ-ita

h) De tandarts heeft gewerkt                                = La dentisto est-as laborinta

i) Je was aan het hollen                                        = Vi est-is kur-anta

k) De koek gaat gegeten worden                         = La kuko est-as manĝ-ota 

l) Jouw kinderen zullen gespeeld hebben             = Viaj infanoj est-os lud-intaj

 

4.

a) La fajro estas varma.

b) Ŝi skribas vorton.

c) Ili manĝis [estas manĝintaj] la legomojn.

d) Li helpos min.

e) Ĉu vi vidis mian fraton?

f) (La) Birdoj rapide flugas.

g) Ĉu vi deziras [volas] trinki?

h) Mi ne dormas, mi lacas [estas laca].

i) Ĉu la filmo ne estis bona ?

j) Mi ne estas leganta la gazeton.

k) Ĉu vi povas labori? Ne, mi ne povas.

l) Ni ofte uzas la telefonon.

 

5.

a) Kial vi preferas (la) fiŝon?

b) Iu trovis [estas trovinta] paperon.

c) La libro estas kaŝita tie.

d) Ni ĉiam estas puraj.

e) Li aŭskultas muzikon, kiel mi.

f) Mia patro manĝas nenion.

g) Ili ripetas ĉiun vorton.

h) Tia estas nia espero!

i) Kiom da floroj vi vidas?

j) Kiam mi komprenos la lingvon, mi parolos.

k) Kio estas domo?

l) Kies aŭto estas tio?

6.

a) 73 = sepdek tri

b) 101 = cent unu

c) 20e = dudeka

d) 655 = sescent kvindek kvin

e) 14/07/1789 = la dek-kvara de julio mil sepcent okdek naŭ

f) 9999 = naŭ mil naŭcent naŭdek naŭ

g) Ό = unu kvarono

h) woensdag 27 februari = merkredon la dudek-sepan de februaro

i) 2 046 = du mil kvardek ses

j) 18 442 = dek ok mil kvarcent kvardek du

k) 75 793 = sepdek kvin mil sepcent naŭdek tri

l) 2 088 405 = du milionoj okdek ok mil kvarcent kvin

 

7.

5 mei ging mijn zus naar het ziekenhuis. Zij was niet ziek: zij werd slechts moeder. Haar kind is een jongetje. Hij wordt misschien ooit visser of kapitein, waarom niet?

Mijn neef [de zoon van mijn zus] houdt veel van eten en hij slaapt vaak. Wanneer hij naar verhalen luistert, zal hij gauw in slaap vallen. In mijn verhalenboek staan enkele gedichten, die ik hem graag voorlees.

Tijdens het ontbijt speelt hij soms in plaats van te eten. Hij gebruikt dan het bestek als speeltjes. Dat maakt ons vaak aan het lachen: hij is zσ speels!

 

8.

Saluton!

Mi nomiĝas [mi estas/mia nomo estas] Maria. Mi vivas en Parizo; (ĝi) estas tre [ege] granda urbo. Mi ne havas aŭton, sed mi ne iras al la laboro aŭtobuse [per aŭtobuso]. Mi preferas iri piede, ĉar mia domo estas proksime de mia laborejo.

Mi estas tradukistino [tradukisto], mi do parolas plurajn lingvojn. Mi multe ŝatas vojaĝi, kaj dum miaj vojaĝoj mi ofte parolas Esperante [en Esperanto] kun miaj amikoj. Por vojaĝi, mi iras per vagonaro [per trajno, trajne].

Mi ŝatas ankaŭ aŭskulti muzikon aŭ iri al la teatro.

La Teatro estas la plej interesa arto... laŭ mi.Ĝis revido!


 

 

Esperanto Nederlands

 

 

aer-o

lucht

decid-i

besluiten

frat-o

broer

kelk-a

enig(e)

ag-i

handelen

dekstr-a

rechts

frenez-a

krankzinnig

klas-o

klas

akcept-i

aanvaarden

demand-o

vraag

fru-e

vroeg

knab-o

jongen

akv-o

water

dezir-i

wensen

frukt-o

vrucht

kolekt-i

verzamelen

al

naar

direkt-i

richten

funkci-i

functioneren

kolor-o

kleur

ali-a

ander(e)

divers-a

verschillend

gazet-o

krant

komerco

handel

alt-a

hoog

dolĉ-a

zoet

glas-o

drinkglas

kompreni

begrijpen

am-i

liefhebben

dom-o

huis

grand-a

groot

komun-a

gezamenlijk

amik-o

vriend

don-i

geven

grav-a

belangrijk

kon-i

kennen

ankoraŭ

nog

dorm-i

slapen

grup-o

groep

kongreso

congres

anstataŭ

in plaats van

dum

tijdens terwijl

ĝenerala

algemeen

konsent-i

eens zijn

antaŭ

voor

edz-o

echtgenoot

ĝis

tot

konsil-o

advies

apart-a

apart

ekster

buiten

ĝust-a

juist

kontraŭ

tegen

aper-i

verschijnen

ekzemplo

voorbeeld

halt-i

stilstaan

kost-i

kosten

apud

naast

elekt-i

kiezen

hav-i

hebben

kresk-i

groeien

art-o

kunst

en

in

hejm-o

thuis

krom

behalve

artikol-o

artikel

esper-i

hopen

help-o

hulp

kuir-i

koken

asoci-o

vereniging

est-i

zijn

histori-o

geschiedenis

kultur-o

cultuur

atend-i

(ver)wachten

facil-a

makkelijk

hor-o

uur

kun

met

of

fajr-o

vuur

ide-o

idee

kuŝ-i

liggen

aŭd-i

horen

fakt-o

feit

inform-i

informeren

la

de/het

aŭskult-i

luisteren

fal-i

vallen

instru-i

lesgeven

labor-o

werk

aŭtobuso

(auto)bus

far-i

doen maken

interes-i

interesseren

lac-a

moe

aŭto

auto

fenestr-o

raam

ir-i

gaan

land-o

land

aŭtun-o

herfst

fest-o

feest

jar-o

jaar

last-a

laatste

baldaŭ

spoedig

film-o

film

jes

ja

leg-i

lezen

best-o

dier

fin-i

beλindigen

jun-a

jong

legom-o

groente

bezon-o

behoefte

fiŝ-o

vis

ĵet-i

werpen

lern-i

leren

bild-o

plaatje

flank-o

kant

kaj

en

libr-o

boek

bird-o

vogel

flav-a

geel

kamp-o

veld

lig-i

(ver)binden

bon-a

goed

flor-o

bloem

kant-i

zingen

lign-o

hout

bril-i

glanzen

flug-i

vliegen

kap-o

hoofd

lingv-o

taal

cel-o

doel

foj-o

keer

kapt-i

vangen

lud-i

spelen

cert-a

zekere

forges-i

vergeten

kar-a

dierbaar

man-o

hand

ĉef-a

voornaamste

fort-a

sterk

kaŝ-i

verbergen

manĝ-i

eten

ĉu?

toch?

frap-i

slaan

kaŭz-o

oorzaak

mank-o

gemis,gebrek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

mar-o

zee

perd-i

verliezen

sci-i

weten

telefon-o

telefoon

maten-o

ochtend

pied-o

voet

seĝ-o

stoel

ten-i

houden

memor-o

herinnering

plen-a

vol

sen

zonder

ter-o

aarde

met-i

plaatsen

pli (…ol)

meer (dan)

send-i

sturen

tim-o

angst

metod-o

methode

(ne) plu

(niet… meer

serĉ-i

zoeken

tra

door

mez-o

midden

plur-aj

meerdere

serv-o

dienst

traduk-i

vertalen

mir-i

verbazen

poem-o

gedicht

sid-i

zitten

tranĉ-i

snijden

mon-o

geld

popol-o

volk

signif-i

betekenen

trink-i

drinken

mult-a

veel

post

na

sinjor-o

meneer

trov-i

vinden

naci-a

nationaal

poŝt-o

post

situaci-o

situatie

tuj

meteen

natur-o

natuur

pov-i

kunnen

skatol-o

doos

tuk-o

doek

ne

neen/niet

precip-e

vooral

skrib-i

schrijven

turn-i

(om)draaien

neces-a

nodig

prefer-i

verkiezen

sol-a

alleen

tuŝ-i

aanraken

nev-o

neef

pret-i

bereid zijn

son-o

geluid

universala

algemeen

nom-o

naam

pri

over,betreffend

speciala

speciaal

urb-o

stad

nov-a

nieuw

produkt-o

product

spert-o

ervaring

uz-i

gebruiken

nur

slechts

proksime

dichtbij

star-i

staan

vagon-o

wagon

oft-e

vaak

propr-a

eigen

strat-o

straat

varm-a

warm

okaz-o

gebeurtenis

prov-i

proberen

stud-i

studeren

vend-i

verkopen

ol

dan vergr.tr.)

publik-a

publiek(e)

sub

onder

ver-a

waar, echt

opini-o

mening

pur-a

schoon

sufiĉ-a

voldoende

vesper-o

avond

ordinar-a

gewoon

rakont-i

vertellen

sukces-o

succes

vest-o

kleding

organiz-i

organiseren

rapid-a

snel

sun-o

zon

viand-o

vlees

pac-o

vrede

redakt-i

opstellen

super

boven

vid-i

zien

paĝ-o

bladzijde

regul-o

regel

sur

op

vir-o

man

pan-o

brood

rekomendi

aanbevelen

ŝajn-i

schijnen

vitr-o

glas (de stof)

paper-o

papier

rimark-i

opmerken

ŝanĝ-i

veranderen

viv-o

leven

pardon-i

vergeven

ripet-i

herhalen

ŝat-i

gesteld zijn op

vizit-i

bezoeken

part-o

deel

river-o

rivier

ŝip-o

schip

voj-o

weg

patr-o

vader

rond-a

rond

ŝtat-o

staat

vojaĝ-i

reizen

pec-o

stuk

romp-i

breken

tabl-o

tafel

vok-i

roepen

pens-o

gedachte

salon-o

salon, zaal

tag-o

dag

vol-i

willen

perd-i

verliezen

sam-a

zelfde

tamen

toch

vort-o

woord

pet-i

verzoeken

san-a

gezond

teatr-o

theater

zorg-o

zorg

 

 

 

 

 

 

Nederlands Esperanto

 

 

aanbevelen

rekomend-i

dienst

serv-o

gewoon

ordinar-a

keer

foj-o

aanraken

tuŝ-i

dier

best-o

gezamenlijk

komun-a

kennen

kon-i

aanvaarden

akcept-i

dierbaar

kar-a

gezond

san-a

kiezen

elekt-i

aarde

ter-o

doek

tuk-o

glanzen

bril-i

klaar/bereid

pret-a

advies

konsil-o

doel

cel-o

glas(de stof)

vitr-o

klas

klas-o

algemeen

ĝeneral-a

doen

far-i

goed

bon-a

liefhebben

am-i

alleen

sol-a

door

tra

groeien

kresk-i

liggen

kuŝ-i

ander(e)

ali-a

doos

skatol-o

groente

legom-o

lucht

aer-o

apart

apart-a

draaien/keren

turn-i

groep

grup-o

luisteren

aŭskult-i

angst

tim-o

drinken

trink-i

groot

grand-a

makkelijk

facil-a

artikel

artikol-o

(drink)glas

glas-o

hand

man-o

man

vir-o

auto

aŭt(omobil)o

echtgenoot

edzo

handel

komerc-o

meer ..dan

pli (..ol)

autobus

aŭtobus-o

eens zijn

konsent-i

handelen

ag-i

meerdere

plur-aj

avond

vesper-o

eigen

propr-a

hebben

hav-i

meneer

sinjor-o

beλindigen

fin-i

en

kaj

hemel

ĉiel-o

mening

opini-o

begrijpen

kompren-i

enige

kelk-a

herfst

aŭtun-o

met

kun

behalve

krom

ervaring

spert-o

herhalen

ripet-i

methode

metod-o

behoefte

bezon-o

eten

manĝ-i

het/de

la

midden

mez-o

belangrijk

grav-a

feest

fest-o

herinnering

memor-o

moe

lac-a

besluiten

decid-i

feit

fakt-o

hoofd

kap-o

muziek

muzik-o

betekenen

signif-i

film

film-o

hoog

alt-a

na

post

bezoeken

vizit-i

fruit

frukt-o

hopen

esper-i

naam

nom-o

blad

foli-o

functioneren

funkci-i

horen

aŭd-i

naar

al

bladzijde

paĝ-o

gaan

ir-i

hout

lign-o

naast

apud

bloem

flor-o

gat

tru-o

huis

dom-o

nabij

proksima

boek

libr-o

gebeurtenis

okaz-o

hulp

help-o

nationaal

naci-a

boom

arb-o

gebrek

mank-o

idee

ide-o

natuur

natur-o

boven

super

gebruiken

uz-i

in

en

neen

ne

breken

romp-i

gedachte

pens-o

in plaats van

anstataŭ

niet/geen

ne

broer

frat-o

gedicht

poem-o

informeren

inform-i

(niet.) meer

(ne..) plu

brood

pan-o

geel

flav-a

interesseren

interes-i

nieuw

nov-a

buiten

ekster

geld

mon-o

ja

jes

nodig

neces-a

congres

kongres-o

geluid

son-o

jaar

jar-o

nog

ankoraŭ

cultuur

kultur-o

genoeg

sufiĉ-a

jong

jun-a

ochtend

maten-o

dag

tag-o

geschiedenis

histori-o

jongen

knab-o

of

deel

part-o

gesteld zijn op

ŝati

juist

ĝust-a

onder

sub

dichtbij

proksime de

geven

don-i

kant/zijde

flank-o

oorzaak

kaŭz-o

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

op

sur

sturen

send-i

vergeven

pardon-i

wachten

atend-i

opmerken

rimark-i

succes

sukces-o

verkiezen

prefer-i

wagon

vagon-o

opstellen

redakti

taal

lingv-o

verkopen

vend-i

warm

varm-a

roepen

vok-i

tafel

tabl-o

verliezen

perd-i

water

akv-o

rond

rond-a

tegen

kontraŭ

verschijnen

aper-i

weg

voj-o

schijnen

ŝajn-i

telefoon

telefon-o

verschillend

divers-a

wensen

dezir-i

schip

ŝip-o

terwijl/tijdens

dum

vertalen

traduk-i

werk

labor-o

schoon

pur-a

theater

teatro

vertellen

rakont-i

werpen/gooien

ĵet-i

schrijven

skrib-i

thuis

hejm-o

verzamelen

kolekt-i

weten

sci-i

slaan,kloppen

frap-i

tijd

temp-o

verzoeken

pet-i

willen

vol-i

slapen

dorm-i

toch/echter

tamen

vinden

trov-i

wisselen

ŝanĝ-i

slechts

nur

toch?

ĉu?

vis

fiŝ-o

woord

vort-o

sluiten

ferm-i

toestand

situaci-o

vlees

viand-o

zaal

salon-o

snel

rapid-a

tot

ĝis

vliegen

flug-i

zee

mar-o

snijden

tranĉ-i

universeel

universala

voet

pied-o

zeker(e)

cert-a

speciaal

special-a

uur

hor-o

vogel

bird-o

zelfde

sam-a

spelen

lud-i

vaak

oft-e

vol

plen-a

zich verbazen

mir-i

spoedig

baldaŭ

vader

patr-o

volk

popol-o

zien

vid-i

spreken

parol-i

vallen

fal-i

voor(tijd/plaats)

antaŭ

zijn

est-i

staan

star-i

van

de

vooral

precip-e

zingen

kant-i

staat

ŝtat-o

vangen

kapt-i

voorbeeld

ekzemplo

zitten

sid-i

stad

urb-o

(vast)houden

ten-i

voornaamste

ĉef-a

zoeken

serĉ-i

sterk

fort-a

veel

mult-a

vraag

demando

zoet

dolĉ-a

stilstaan

halt-i

veld

kamp-o

vrede

pac-o

zon

sun-o

stoel

seĝ-o

(ver)binden

lig-i

vriend

amik-o

zonder

sen

straat

strat-o

verbergen

kaŝ-i

vroeg

frue/frua

zorg

zorg-o

studeren

stud-i

vereniging

asoci-o

vuur

fajr-o

 

 

stuk

pec-o

vergeten

forges-i

waar (echt)

ver-a